Facebook Pixel To get there. Together. Samenwerken in vertrouwen voor beter hoger onderwijs - Hogeschool Gent
To get there. Together. Samenwerken in vertrouwen voor beter hoger onderwijs
Beweren dat de overheidsmiddelen voor het hoger onderwijs niet genereus zijn, is een open deur intrappen. En hoewel een nieuw financieringsmechanisme noodzakelijk is om de kwaliteit van de opleidingen en niet de ratrace om de student centraal te zetten, kunnen de actoren in het hoger onderwijs ook zelf actie ondernemen om de krappe financieringsmiddelen maximaal te laten renderen. Wanneer we niet het heft in eigen handen nemen, zal de overheid het voor ons doen.

De succesformule hiervoor is samenwerken in vertrouwen. Maar die samenwerking is niet evident. Verschillende factoren zorgen ervoor dat samenwerking meestal beperkt wordt door handelen vanuit eigenbelang. Het huidige financieringssysteem dwingt hoger onderwijsinstellingen in een ratrace om zoveel mogelijk studenten binnen te rijven en om alsmaar harder te lopen om zelfs maar ter plaatse te kunnen trappelen. Bovendien moeten we ervoor alert zijn dat de associaties niet uitgroeien tot ommuurde bastions waar de student moeilijk doorheen breekt. We mogen hierbij niet in de val trappen om ons elkaars opdrachten toe te eigenen in plaats van elkaars sterktes te erkennen.

Om tot samenwerking op basis van vertrouwen te kunnen komen is een duidelijke en erkende missie een conditio sine qua non. Een dergelijke missie is  van toenemend belang om de verschillende spelers te positioneren en vanuit wederzijds respect en erkenning te werken aan een harmonisch onderwijslandschap waar de student maximaal ondersteund wordt in het opleidingstraject. In het kader van levenslang leren is dat zelfs noodzakelijk. De student mag niet gebonden zijn aan een instelling, maar moet die opleidingsmodules die hij of zij nodig heeft kunnen kiezen in functie van het sterkteprofiel van de instellingen.

Een betere samenwerking tussen de onderwijsinstellingen kan op drie manieren: beter afgestemde schakelprogramma’s en de introductie van ritstrajecten, een inhoudelijke samenwerking tussen instellingen op opleidingsniveau en een onderlinge afstemming van het opleidingsaanbod uitgaande van het sterkteprofiel van elke instelling. Elk van die samenwerkingsmogelijkheden plaatst de student en zijn opleidingstraject centraal én besteedt de overheidsmiddelen efficiënter.

1. Opleidingen beter op elkaar laten aansluiten

Idealiter wordt de student naar die opleidingen geleid die het beste aansluiten bij zijn of haar  talenten, ambities en vaardigheden. Universiteiten en hogescholen zijn hierin partners die dit proces faciliteren en niet temperen zoals nu soms het geval is. Zo vormen de schakelprogramma’s soms Chinese muren waardoor ze studenten ontmoedigen, terwijl ze bedoeld zijn om de student aan te zetten om in het hoger onderwijs een doel en een weg te vinden. We moeten verder werk maken van kwaliteitsvolle, logische en behapbare schakelprogramma’s die studenten stimuleren.

Een variant daarvan is de introductie van zogenaamde ‘ritstrajecten’ in het curriculum. Die ritstrajecten zouden studenten toelaten om onder bepaalde voorwaarden binnen een professioneel gerichte bacheloropleiding meer theoretische, conceptuele vakken te volgen die hen na een periode van drie jaar op een eenvoudiger manier naar een masteropleiding kan leiden. Omgekeerd kunnen studenten in een traject van een academisch gerichte bacheloropleiding vakken opnemen die meer praktijk- en arbeidsmarktgericht zijn, waardoor ze in de loop van die drie jaar gemakkelijker kunnen overstappen naar een professioneel gerichte bachelor of na drie jaar met hun bachelor zelfs direct in de arbeidsmarkt kunnen stromen.

Betere, onderling afgestemde systemen die studenten sneller brengen naar de voor hen passende studierichting en -kwalificatie zorgen voor een betere besteding van overheidsmiddelen en van het budget van de student en/of de ouders.

2. Het combineren van academische en professioneel gerichte leerinhouden

Hogescholen en universiteiten kunnen ook samenwerken voor het organiseren van opleidingsmodules waarin academische en professioneel gerichte inhoud gecombineerd wordt. Hiervan zijn al voorbeelden te vinden zoals de educatieve masters aan de KULeuven, waar voor een kwart van de opleidingsonderdelen samengewerkt wordt met hogescholen. Hierdoor krijgt de opleiding naast de academische dimensie ook een beroepsdimensie. Een tweede voorbeeld is de minor voeding binnen de masteropleiding in de bewegings- en sportwetenschappen van de UGent, die ondersteund wordt door de bacheloropleiding in de voedings- en dieetkunde van HOGENT. Naast inhoudelijke argumenten zijn er ook rationalisatie-argumenten die een dergelijke programmering verantwoorden: haal de expertise waar ze zit, zorg voor een adequate ondersteuning van geprogrammeerde competenties en gebruik hiervoor bestaande programma’s, waar die ook te vinden zijn.

Tussen instellingen kan dit leiden tot het wederzijds ondersteunen van programma’s. Afstudeerrichtingen, minoren, afzonderlijke of groepen van opleidingsonderdelen kunnen door de partners samengebracht worden in een gecombineerd programma. Met dezelfde middelen kan hierdoor meer bereikt worden, door samenwerking wordt de student en de gemeenschap beter gediend zonder in te boeten op kwaliteit of niveau.

3. Elke instelling zijn sterkteprofiel

Hierbij wordt nog een stap verder gegaan en wordt de programmering van opleidingen of delen van opleidingen afgestemd op het profiel van een instelling. Dit kan regionaal of interregionaal leiden tot afspraken in het opleidingsaanbod. Hogescholen en universiteiten kunnen niet elk uitmunten in alles. Ze moeten durven keuzes maken en investeren in hun profiel wat opleidingen en onderzoek betreft. Die keuze impliceert dat sommige opleidingen niet meer aangeboden worden en overgelaten worden aan de collega-instellingen die daar een sterktepunt van gemaakt hebben. Uiteraard moeten we daarbij niet voorbijgaan aan het feit dat sommige opleidingen of modules levensbeschouwelijk gevoelig liggen. Het uitgangspunt moet dan ook zijn dat we elkaars pedagogisch project erkennen en respecteren.

De instellingen moeten de maturiteit ontwikkelen om elkaar hierin te vinden, elkaar successen te gunnen en het opleidingsaanbod te stroomlijnen. De middelen die hiervoor vrijkomen kunnen geïnvesteerd worden in het eigen sterkteprofiel en in een sterkere omkadering van de opleidingen. Iets wat nu door de schaarste aan middelen voor sommige opleidingen precair is.

Uiteraard is dergelijke samenwerking alleen maar mogelijk als op een andere manier gekeken wordt naar de verdeling van de overheidsmiddelen over de hogescholen. Veeleer dan alleen te verdelen op basis van de studentenaantallen, zou een verdelingsmechanisme stimuli moeten geven voor samenwerkingen, regionale meerwaarde en aansluiting op de arbeidsmarkt.

Ik reik de hand naar iedereen die hierover mee wil nadenken en hieraan wil meewerken. Laten we op een positieve en constructieve manier samen werk maken van een hoger-onderwijslandschap waar we onze maatschappelijk opdracht ten volle kunnen ontplooien en de student centraal zetten. Want samen geraken we verder dan alleen.

Koen Goethals, algemeen directeur HOGENT

P.S. Ook in Nederland denkt men luidop na over een betere samenwerking tussen hogeronderwijsinstellingen en hebben daarrond uitgerekend vandaag een position paper bekendgemaakt. Meer info via deze link.